Mijn werk verwoord joop van zeitveld

Ze reden door de mist. In de vroege ochtend zag je ze nauwelijks, zo ijl en doorzichtig waren ze. Zij en het paard. Onzichtbaar dravend. Het paard zag haar wel, in die ene seconde dat hij naar achteren keek, naar zijn vriendin. Zij was zijn prinses. Hij was haar vriend. Samen waren ze één. Samen waren ze de mist. In ieder geval nu, in dit moment.

 

Als ze straks thuiskwamen, zouden ze allebei glinsteren van druppels mist. Hij zou zijn hoofd schudden. Zij zou lachend haar armen om zijn hals slaan.

En alles zou weer gewoon zijn. Niemand zou weten van hun koninklijk bestaan, in die vroege uren in de mist. In hun wereld, hun geheim.

Het paard is ongedudig: het wil gaan. Sneller, harder! Het wil zijn kracht en energie voelen. Alles spieren strak gespannen, staat hij op scherp.

"Mag ik? Mag ik nu eindelijk? Alsjeblieft, mag ik gaan?" lijkt het dier te vragen.

Maar de man is de baas. Hij is degene die bepaalt waarheen en wanneer. Hij beteugelt de vlammende kracht van zijn vriend. Pas als de man het zegt, mag het paard gaan.

Ga!

Luister, lieve vriend, hoor de muziek van het leven.

Het dier danst. Wild, en enthousiast.

Zij lacht en danst met hem mee. Haar hand op zijn rug, losjes zittend.

Pas op, jonge vriend! Pas op dat ze niet valt!

Maar het paard blijft voorzichtig, ondanks zijn wervelend plezier.

En de vrouw is vol vertrouwen.

Ze genieten samen, het paard en de vrouw.

Dit moment zou eeuwig mogen zijn. Langer, liever nog...

Lieveling van de goden, bijna onsterfelijk ben je. Maar niet helemaal. Weet dat de pijn in je hart je dood zal zijn.

De gouden krijger heeft gewacht, tot het moment daar was en hij zijn pijn mocht bevrijden. Zijn razernij kleurde de aarde rood en blauw. Maakte een zee van bloed, van soldaten en edelen.

En na de woede was er wraak. Zonder eer.

Het was de moeder die jou tot bedaren wist te brengen. De moeder maakte je stil.

En uiteindelijk was er vrienschap..., en de rust van het sterven.

Ren, mijn paard, ren! Ren sneller dan je kan!

Nog even en dan zijn we vrij; zijn we de grens over van het gevang.

Het grauwe grijs laten we achter ons. Het gulle groen lonkt.

Dus ren snel lieve vriend, ren!

Als we daar zijn, daar waar de zon schijnt, zullen we allebei vrij zijn!

Het zal er warm zijn en vol liefde en geluk.

Ik zal er mijn prins vinden. En jij mag er rusten.

Ze riepen haar, van ver.

Oja, ze hoorde het wel, maar ze wilde nog even blijven. Ze wilde nog even zijn in de stilte waarin zij en haar paard elkaar zo goed konden verstaan.

De mensen snapten het niet: ze waarschuwden haar altijd.

"Pas toch op met dat paard. Het is toch veel te groot voor je! Dat beest (hoe durfden ze hem zó te noemen!) zal je ten val brengen. Jij bent zo teer, zo fragiel. Kies een ander paard, een kleiner. Eén dat beter bij je past!"

Maar geen enkel paard zou ooit beter bij haar passen. Dit was haar vriend, haar enige vriend! Ze hield van hem, met heel haar hart. En ze wist dat hij haar nooit, absoluut nooit, pijn zou doen. In tegendeel: hij beschermde haar, met alles wat hij in zich had. Met kracht en zachtheid.

In die kracht en zachtheid hadden ze elkaar gevonden en herkend. Want ze waren hetzelfde, ook al zag niemand dat.

Ze hield het midden tussen een roofvogel en een vlinder. Of was ze juist beide, tegelijk? Krachtig én kwetsbaar, op hetzelfde moment.

Ik heb het nooit geweten, want altijd hield ze zich verscholen achter een sluier van net-niet-aanwezig-zijn. Ik heb zelfs nooit haar naam geweten...

Kun je iemand missen die je nooit gekend hebt?

Gejuich, getrappel, gekletter van wapentuig dat niet meer nodig is. De strijd is gestreden. De kreten van doodsangst en sterven worden kreten van levensvreugde en geluk. Een enkele stervende kreunt nog. Maar er is niemand die het hoort in het tumult van het feestgedruis. De kreun wordt vertrapt door de hoeven van een paard dat niet weet wat het doet, maar slechts de uitbundigheid van de mensen uitleeft.

Het dier voelt het allemaal: het blijde verdriet en de droeve vreugde. De emoties van soldaten en edelen, koningen en burgers. Mensen, die zich het bloed nog van de handen moeten wassen. Maar straks pas..., want eerst is er de overwinning!

Jij denkt dat ik niet weet dat jij er bent. Dat ik niet weet dat jij naar mij kijkt.

Maar ik zie jou wel!

Wat wil je? Heb je een wapen?

Wees je ervan bewust dat jij zonder je wapen niets bent.

Ik ben zoveel sterker dan jij!

Jij moet je kracht uit een machine halen. Ik bén de kracht, de pure kracht zelf. Trots n koninklijk. Een heerser.

 

Oh..., je hebt geen wapen? Jij kijkt alleen? Jij vind mij mooi?

Zie dan, mijn gast, de wijsheid in mijn ogen. Speciaal voor jou toon ik mijn krachtigste rust, mijn schoonste elegantie. Wees welkom, maar blijf op je hoede!

Er komt een dag dat jij hoger zal vliegen dan iemand ooit eerder gedaan had. Jouw krachtige vleugels zullen je bij de goden brengen.

Maar nu ben je nog de stille beschermer van de vrouw die rust. De muzen, nooit ver van jou vandaan, zijn ongetwijfeld ook nu in de buurt. Niemand ziet ze. Maar jij voelt hun aanwezigheid. Hun tedere inspiratie en zachte genegenheid stroomt kabbelend door je heen.

 

Rust, lieve schone, zo mooi als Helena. In al je tere breekbaarheid mag je slapen.

Niemand zal je kwaad doen, want ik zorg voor je. Mijn vleugels zullen je met zachtheid bedekken, opdat je warm blijft en lichte dromen droomt.

En als het tijd is, zal ik je wekken, heel voorzichtig. Dan gaan we rijden.

Maar nu mag je stil zijn, betoverend mooi.

Hij draaide zich om en liep weg, met zijn paard. Wat leken ze op elkaar: het dier en hij. Allebei zo krachtig, allebei zo mooi. Nooit mooiere wezens op aarde gezien. Kinderen van de goden.

Zou ik ze ooit nog terug zien?

Ze waren pas net weg en ik miste ze nu al!

Hij was degene die mij rust gaf. Inspiratie, kracht. Een beetje zekerheid.

Hij moest weg, zei hij. Hij wist niet eens waarom. En het paard moest mee. Waarom, waarom?

Ik sta mezelf toe om één traan te huilen. Dan ga ik naar binen, om te wachten. Tot ze terug komen, op een dag, misschien.

Hoor de muziek, ruik de geuren, zie de kleuren van mensen die weer even kind zijn en van kinderen die blij zijn. Het carrousel draait, de hele dag. Tot laat in de avond.

De lichtjes gaan aan. Draai nog een rondje mee! En nog één..., en nog... Je hoeft nog niet naar bed, vandaag is het feest!

Het feest is van alle tijden. Van heel vroeger en nu. De kinderen blijven dezelfde. Ze hebben altijd gespeeld, en zullen altijd blijven spelen.

mijn werk verwoord

mijn werk verwoord

 

 Jovetina, het steigerende paard. Klaar voor de strijd met krijgers in de Griekse mythen voor Sparta tegen de Trojanen. Paarden waren in die tijd onmisbaar in de oorlogen die de volkeren toen voerden. Ze moesten door weer en wind, water en zand om hun berijders trouw bij te staan in de strijd. Ook moesten ze vaak het leven laten en er werd er niet meer naar hun om gekeken. Ze waren het middel om te vervoeren en te strijden. De strijders hadden harnassen en maskers, maar de edele viervoeters niet. Zij werden blootgesteld aan speren, vuur en andere strijdmiddelen. De strijders stonden er vast niet bij stil in die tijd, maar zonder deze mooie dieren konden ze absoluut niet!